Rechtspraak in opspraak

Nederlandse gevangenissen zijn hotels.... Straffen zijn in Nederland belachelijk laag... Daders gaan altijd weer in de fout....Straffen helpt niks...

Over straffen, strafrecht, rechters, misdadigers en het regime in Nederlandse gevangenissen hebben veel mensen heel sterke meningen.

Maar zijn die meningen ook op feiten gebaseerd?

Is het waar wat 'iedereen' denk? Soms is het waar, en soms is het onzin!

Lees hier wat de feiten zeggen over de meest bekende volkswijsheden over ons strafrecht.

STRAFFEN WERKT!

Ja, dat klopt! Bij de beïnvloeding van gedrag helpt zowel beloning als straf. Alleen bij pubers heeft straf minder invloed en naarmate vaker is gestraft (of beloond) neemt het effect ook zienderogen af. Maar werken gevangenisstraffen ook? 

Er is maar één reden waarom gevangenisstraffen leiden tot minder criminilatiteit:  veelplegers kunnn niet inbreken of stelen als ze in de cel zitten. Daarom is de zogenaamde ISD-wet ook zo effectief: veelplegers (meestal verslaafde mannen) kunnen na hun zoveelste vergrijp voor 2 jaar worden opgesloten, met verplichte behandeling. Voor het overige heeft gevangenisstraf geen enkel positief effect op de criminaliteitscijfers. Celstraf leidt bijvoorbeeld niet tot minder recidive (in herhaling vallen). Integendeel, het oude gezegde blijkt waar te zijn: in de gevangenis worden juist criminelen gekweekt. Wie in de bajes heeft gezeten komt  als goed opgeleid inbreker of als wraakzuchtige geweldenaar weer buiten. 75% van de gevallen gaat snel weer 'in de fout'. Vaak heeft een delinquent na jaren straf buiten de gevangenis niets meer (baan weg, gezin weg, vrienden weg, huis verkocht) en komt zodoende weer op het criminele pad. 

Hoewel taakstraffen onder burgers een slechte naam hebben ("een beetje schoffelen") hebben ze in tegenstelling tot gevangenisstraf wél een positief effect. Na een taakstraf is er veel minder recidive omdat zo'n straf niet tot gevolg heeft dat iemands sociale leven wordt vernietigd en een taakstraf zelf iets 'positiefs' bijdraagt. Taakstraffen zijn bovendien veel minder kostbaar. Het bezwaar tegen taakstraffen is vaak dat alleen hele strenge straffen potentiële criminelen zal afschrikken. Wie 10 jaar de cel in moet zal wel uitkijken om te gaan inbreken. Wie levenslang riskeert houdt zijn handen wel thuis in het zwembad! Alle studies wereldwijd laten echter zien dat strenger straffen niets helpt.  Zelfs de doodstraf heeft geen aanwijsbare afschrikkende werking. In Azië en in de VS wordt drugscriminaliteit draconisch bestraft, maar dat leidt alleen maar tot vollere gevangenissen en niet tot minder drugs. Levenslange straffen of de doodstraf leidt ook niet tot minder geweld en minder doden. integendeel, er komen meer moorden van. Wie een lange straf riskeert zal eerder zwaar geweld gebruiken (iemand doodschieten bij een inbraak om herkenning te voorkomen) en in de gevangenis zelf vallen vele doden (een levenslang gestrafte heeft niets meer te verliezen).

Lange gevangenisstraffen zijn duur en nauwelijks effectief. Het enige waar gevangenisstraf goed voor is het 'gevoel' van burgers: stevige straffen dienen de behoefte aan vergelding, ze bevredigen het verlangen om 'terug te slaan' (oog om oog). Dat 'punitieve' verlangen is het laatste decennium  sterk gegroeid. Zo sterk dat het aantal veroordelingen tot levenlange gevangenisstraffen de laatste jarenb is verdriedubbeld. Zo'n straf heeft geen enkele functie, behalve vergelding.

RECHTERS STRAFFEN TE LICHT EN LEGGEN TE VAAK EEN TAAKSTRAF OP

Onderzoeker Frank van Tulder van de Raad voor de Rechtspraak heeft uitgezocht dat Nederlandse rechters tussen 2000 en 2009 juist veel strenger zijn gaan straffen. (Nederlands Juristenblad, juni 2011) Bij vijf van echt zware soorten delicten steeg de uitgedeelde straf met meer dan 30%, bij geweldsmisdrijven en zedenmisdrijven gaat het soms om meer dan 50%, bij vernielingen om 70%. Nederland kent inmiddels strafmaten die aan de VS doen denken. De gemiddelde opgelegde straftijd is in vergelijking met 1990 verdubbeld (moord 15-30 jaar i.p.v. 8-15 jaar; enkelvoudige ontucht 2 jaar i.p.v. 4 maanden; mishandeling 1,5 jaar i.p.v. 6 maanden)

Rechters leggen ook taakstraffen op, maar dat deed het aantal celstraffen niet dalen. Taakstraffen worden ‘extra’ opgelegd, dus voor misdrijven waar vroeger een boete of voorwaardelijke straf volstond. Maria Mok (die een film maakte over zaken bij de kinderrechter): “Ieder kind steelt wel eens een blikje of wat snoep. Als je ziet welke zaken nu voor de rechter komen, dan had ik continu vastgezeten.”  Wat ooit baldadigheid heette, wordt nu al snel ‘straatterrorisme’  genoemd. Vroeger werden onfrisse zaken nog afgedaan met een stevig gesprek met de politie, nu moet er altijd aangifte worden gedaan en wordt er altijd een straf opgelegd.

Het aantal opgelegde strafdagen stijgt jaar na jaar. Opvallend is bijvoorbeeld  dat levenslang in Nederland steeds gemakkelijker wordt opgelegd: van 1945-2000 23 keer, maar in de laatste 10 jaar al 25 maal – een stijging van 500%. Levenslang is in Nederland écht levenslang, waar het elders soms 25 of 30 jaar betekent. Mohammed B. Was 19 toen hij werd gearresteerd en zal de rest van zijn leven, in de cel blijven (pas als dode zal hij de gevangenis verlaten). Ook het aantal langdurige TBSers stijgt: de gemiddelde ‘behandeltijd’ is gestegen naar 9 jaar (bovenop de uitgezeten gevangenisstraf) en steeds meer mensen blijven hun leven lang vastzitten in een getraliede kliniek. TBS wordt meer en meer een verkapt levenslang.

Toch zitten de Nederlandse gevangenissen minder vol dan in 2000, er staan zefs cellen leeg. Dat komt vooral omdat het aantal drugsdelicten sterk is teruggelopen (dankzij betere opsporing op Schiphol die criminelen afschrikt). In het algemeen daalt criminaliteit al jaren achter elkaar (diefstal is 40% midner, doodslag 20% minder). De daling van het aantal misdrijven tussen 2005 en 2009 was 7%. Het aantal strafzaken dat het OM ontving daalde tusen 2006 en 2010 met meer dan 20%.

IN VERGELIJKING MET HET BUITENLAND ZIJN STRAFFEN IN NEDERLAND EEN LACHERTJE

Veel mensen denken:  in Nederland wordt mild gestraft, kinderpornoliefhebbers mogen twee weekjes gaan schoffelen en als criminelen in de gevangenis komen dan worden ze daar in de watten gelegd. Het tegendeel is waar: Nederland kent de strengste straffen van heel Europa, je komt hier na een misstap veel eerder in de gevangenis dan elders en gevangenisstraf is een steeds harder gelag –niet alleen vanwege het sobere regime, maar ook vanwege de bijkomende gevolgen ‘buiten’. 

De kans om na een veroordeling in de cel te komen ligt in Nederland voor Westeuropese maatstaven relatief hoog, op 15 procent. Anders gezegd, 15 procent van de opgelegde straffen is hier een celstraf. In west-Europa zit alleen de Franse rechter met het aandeel celstraffen hoger, 19 procent. In België, Denemarken, Duitsland, Engeland, Finland, Griekenland en Portugal staat de rechter juist minder snel klaar met een celstraf. Alleen in Oosteuropese landen is gevangenisstraf de norm. In Slovenië is zelds 90 procent van alle straffen een celstraf. Celstraffen zijn in Nederland bovendien gemiddeld langer dan in andere Westeuropese landen. In Denemarken, Duitsland, Engeland, Noord Ierland, Schotland, Zweden, Finland en Frankrijk zitten gevangenen minder lang in de cel. De reden is dat in de meeste landen de daadwerkelijk uitgezeten straf daar meestal veel lager is dan de officieel opgelegde straf. Vaak wordt de helft of driekwart van de straf kwijtgescholden. 15 jaar cel wordt in praktijk 4 jaar. Wie in België tot minder dan 3 jaar wordt veroordeeld hoeft (vanwege het cellentekort)  al helemaal niet meer de cel in maar krijgt ter vervanging enkele maanden een ‘enkelbandje’  (elekronisch toezicht). In Nederland moeten gevangen altijd minimaal 2/3 van hun straf uitzitten.  Nederland is bovendien een van de weinige landen waar mensen heel lang (soms jarenlang) in voorarrest zitten (dus voordat een rechter zich heeft uitgesproken). In veel landen komt voorarrest nauwelijks voor.

De Onderzoeksbundel Criminaliteit en Rechtshandhaving 2009: “Nederland kent een zeer streng strafklimaat in vergelijking met andere West- en Noordeuropese landen.” 

ZEDENDELINQUENTEN GAAN MEESTAL WEER IN DE FOUT

Dat klopt niet: de kans dat zedendelinquenten na hun straf opnieuw de fout ingaan is aanzienlijk lager dan dan de kans op recidive bij andere delinquenten. Het recidive percentage onder zedendelinquenten is het laagste van alle typen delicten . Na 5 jaar wordt bijna 9% van alle zedendelinquenten opnieuw voor een zedendelict vervolgd. Bij drugsdelicten ligt het recidivepercentage op bijna 21 %, bij vermogensdelicten zelfs op 60%.

Wanneer we kijken naar de kans dat zedendelinquenten na hun straf in aanraking komen met justitie, al is dat niet voor een zedenzaak, dan zien we dat dit ‘algemene recidivepercentage’ ook een stuk lager ligt dan wat onder gedetineerden gebruikelijk is. Volgens onderzoek van het wetenschappelijk bureau  van het miisterie van Justitie (het WODC) komt bijna driekwart van alle gedetineerden binnen zes jaar na vrijlating weer in aanraking met justitie (jongeren zelfs 78%). Bij zedendelinquenten is dat 40%. Deze cijfers worden ook door Amerikaans onderzoek onder bijna 10.0000 zedendelinquenten bevestigd (43% algemene recidice tegenover 68% bij andere delinquenten)

De mythe dat vooral kindermisbruikers onverbeterlijk zijn klopt ook niet. Het genoemde Amerikaanse onderzoek laat zien dat 5,3 % van alle zedendelinquenten binnen enkele jaren recidiveert, bij kindermisbruikers is dat slechts 3,3 %.

Zie de beantwoording van Kamervragen over dit onderwerp op www.tegenwicht.or/33_politiek/bronnen_recidive.htm

 

DE MEESTE DELINQUENTEN HEBBEN EEN STOORNIS

Bij vrijwel alle verdachten van een misdrijf wordt tegenwoordig een forensisch psychiatrisch rapport opgemaakt. De (onderzoeks)rechter wil weten wat voor vlees hij in de kuip heeft en roept daartoe de hulp in van gedragswetenschappers, klinisch psychologen en psychiaters. Deze trachten op een of andere manier binnen te dringen in de belevings- en gevoelswereld van de verdachte, doen onderzoek in diens omgeving en stellen in meer dan 90% van de gevallen een afwijking of stoornis vast (tenzij de verdache en diens omgeving pertinent weigert om aan elk gesprek of onderzoek mee te werken). Het komt vrijwel niet voor dat de de onderzoekers van de menselijke geest concluderen dat een verdachte volkomen normaal en geestelijk gezond is, mede omdat men op voorhand (dus nog voordat de rechter heeft geoordeeld) aanneemt dat de verdenkingen tegen een verpersoon waar zijn (dat is de ‘werkhypothese’[1]), en dat betekent vrijwel altijd dat er een psychische oorzaak wordt gezocht voor de vermeende misdaad. Wie een misdrijf pleegt, wie zoiets doet, moet wel ab-normaal zijn. Daar moet wel een psychische stoornis aan ten grondslag liggen.

Wie zoekt zal vinden![2]Volgens deskundigen zou 70% van de gedetineerden lijden aan een of andere psychische stoornis. De forensische pyschiatrie is in haar bevindingen overigens net zo modegevoelig als de geestelijke gezondheidszorg in het algemeen. Steeds vaker wordt bij verdachten een stoornis vastgesteld in het ‘autistische spectrum’. Werd de oorzaak van anti-sociaal gedrag tot voor kort vaak gezocht in een narcistische persoonlijkheidsstoornis, tegenwoordig verschijnen steeds meer termen als ‘Asperger’ en ‘PDDNOS' in de conclusies.[3]

 



[1]Dat gebeurt ook wanneer de verdachte categorisch ontkent: “In order to be able to provide the judge with proper advice, it is advisable to assume that the person being exeamined committed the crime in question (by way of hypothesis).” (H. van Marle, ‘The Dutch medico-legal system in forensic psychiatry’, in: E. Blaauw, M. Hoeve, H. Van Marle & L. Sheridan (eds.), Mentally disordered offenders: international perspectives on assessment and treatment (Den Haag, Elsevier 2002, pp.145-170), p, 157). Van Marle is directeur van het Pieter Baan centrum. Daar is onder meer Kees Borsboom onderzocht, de verdachte inzake de Schiedammer Parkmoord, die werd veroordeeld tot 18 jaar cel plus tbs, maar die later onschuldig bleek te zijn (toen de werkelijke dader Wik H. De moord bekende). Tijdens het onderzoek in het Pieter Baan centrum bleek verdachte Kees Borsboom op geen enkele manier agressief te zijn, terwijl hij toch verdacht werd van een uitzondelijk agressief delict. Omdat deze verdenking ‘hypothetisch’  voor waar werd gehouden, moesten de psychiaters wel concluderen dat bij Kees Borsboom sprake was van “stuwing van agressieve gevoelens” . De verdachte wordt “passief-agressief” verklaard: hij is agressief, maar je merkt het niet. (Zie de bespreking van het psychiatrisch onderzoek in P.J. Koppen, De Schiedammer Parkmoord, Ars Aequi Libri 2003, pp.107-11)

[2] Zie voor een inkijkje in de wereld van de forensisch-psychiatrische beoordeling van verdachten Willem Derks, Het oordeel van Hippas. Over de deskundigheid van psychiaters en psychologen en hun invloed op de strafrechtspraak, (Amsterdam: Arbeiderspers, 2001.

[3] Zie voor een analyse van de wijze waarop ‘nieuwe stoornissen’ zoals Asperger in de mode raken ter verklaring van delinquent gedrag Peter Koppen en Douwe Draaisma, Reizen met mijn Rechter. Psychologie van het Recht (Deventer: Kluwer, 2010)